De ondernemersgids

Starten met een onderneming

A. Voorwaarden

1. Leeftijd

a. 18 jaar

Men kan zich pas als zelfstandige vestigen als de leeftijd van 18 jaar werd bereikt. Enkel wie meerderjarig is, is bekwaam om handel te voeren. Vóór die leeftijd kan men zich niet laten inschrijven in de Kruispuntbank voor Onder­nemingen, kan men niet failliet verklaard worden en kan men zelfs niet voor de ondernemingsrechtbank gedagvaard worden.

2. Bekwaam zijn

a. Gefailleerde/ontbonden vennootschap

In normale omstandigheden is een vroeger faillissement geen beletsel om een nieuwe zaak op te starten.
Toch kan de rechter bij een faillissement een verbod opleggen om nog een handelszaak op te starten als blijkt dat de gefailleerde door een grove fout bijgedragen heeft tot het faillisse­ment. Dit verbod kan ingetrokken worden in geval van eerherstel.
Bij een faillissement van de vennootschap worden, behoudens uitzonderingen – met name in geval van een vennootschapsvorm met onbeperkte aansprakelijkheid van de vennoten – niet de vennoten, zaakvoerder(s) of bestuurder(s) failliet verklaard, maar alleen de vennootschap.
Een recente wet verleent aan de rechter wel de mogelijkheid om aan bestuurders en zaakvoerders van een vennootschap, waarvan de ontbinding uitgesproken wordt wegens het niet neerleggen van de jaarrekening, een verbod op te leggen om gedurende een bepaalde periode (van maximaal drie jaar) bestuurder of zaakvoerder te zijn in een vennootschap.

b. Niet bekwaam

De volgende personen missen de nodige bekwaamheid om handel te drijven:
  1. De gerechtelijk onbekwaam verklaarden of in staat van verlengde minderjarigheid verklaarden. Deze personen zijn juridisch gezien niet bekwaam om ­handel te drijven.
  2. De personen onder gerechtelijk raadsman gesteld of voor wie een voor­lopige bewindvoerder werd aangesteld. Deze personen missen de noodzakelijke bekwaamheid om handel te drijven.

3. Nationaliteit

De nationaliteit op zich speelt geen rol in­­zake de verzekeringsplicht voor zelf­standigen.
Om een zelfstandige activiteit uit te oefenen moeten vreemdelingen die geen onderdaan zijn van de EU in het bezit zijn van een ‘beroepskaart’ behoudens enkele uitzonderingen.

4. Beroepskaart

Vreemdelingen van buiten de Europese Economische Ruimte (Europese Unie, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein) of buiten Zwitserland die in België een zelfstandig beroep wensen uit te oefenen moeten in het bezit zijn van een beroepskaart.
Deze verplichting slaat zowel op zij die in eigen naam een zelfstandig beroep ­willen uit­oefenen als op diegenen die binnen een vennootschap of een vereniging actief zijn (bestuurder, zaakvoerder, ­werkende vennoot), zelfs al gaat het om een onbezoldigd mandaat.
Ingevolge de zesde staatshervorming zijn sinds 1 januari 2015 de gewesten en niet langer de FOD Economie, Kmo, Energie en Middenstand bevoegd voor de uit­gifte van beroepskaarten. Voor Vlaanderen be­tekent dit dat het Vlaams gewest, dienst Economische migratie bevoegd is. Deze territoriale bevoegdheid van het Vlaams gewest wordt bepaald door de maatschappe­lijke zetel van de vestigingseenheid, of bij gebreke daarvan de plaats waar de effec­tieve activiteit uitgevoerd wordt. De aanvragen voor een beroepskaart blijven echter via de ondernemingsloketten of de diploma­tieke of consulaire vertegenwoor­digers verlopen.
De aanvraag moet opgesteld worden op het daartoe bestemde formulier dat consulteer­baar is op de website van de Vlaamse overheid.
Met bepaalde landen heeft België een bilateraal verdrag gesloten, waardoor er voor in­woners van die landen (Verenigde Staten, Nieuw-Zeeland, Canada, Australië, Kroatië, Chili en Peru) een soepeler regime zal gelden.

a. Aanvraag bij verblijf in België

De aanvraag voor een beroepskaart voor een vreemdeling die in België verblijft, gebeurt via een erkend ondernemingsloket naar keuze, op voorwaarde dat men in het bezit is van een geldig getuigschrift van inschrijving in het vreemdelingenregister (BIVR) of een attest van immatriculatie model A. Een aanvraag voor een beroepskaart vanuit een illegaal verblijf zal geweigerd worden.
Nuttige modellen en info vindt men terug op de volgende website: https://www.vlaanderen.be/beroepskaart-voor-buitenlandse-ondernemers.
Op deze websites worden ook een reeks nuttige adressen vermeld, van Belgische ­ambassades, consulaten en ondernemings­loketten waar men meer infor­matie kan verkrijgen.
De contactgegevens van de gewestelijke dienst Economische migratie zijn:
Departement Werk en Sociale economie
Dienst Economische Migratie en Regulering
Koning Albert II-laan 35 bus 20
1030 Brussel
Tel.: 02/553 08 80
Het aanvraagformulier moet gedateerd, ondertekend en behoorlijk ingevuld ­worden. Men moet alle vereiste documenten en alle stukken die men zelf nodig acht voor het onderzoek bijvoegen. Bij de aanvraag moet men tevens het bewijs voegen van de ­kwijting van het recht verbonden aan de ingediende aanvraag.

b. Aanvraag bij verblijf buiten België

Wie niet over een geldige verblijfstitel beschikt, zal de aanvraag moeten indienen bij de diplomatieke of consulaire post van België in het land van verblijf.
Tegelijk met de aanvraag voor een beroepskaart, moet men al een verblijfsaanvraag in­dienen.
Wil de vreemdeling een gereglementeerd beroep uitoefenen, dan moet de aanvraag ver­gezeld zijn van:
  • het vestigingsattest of het diploma waaruit blijkt dat de gewenste activiteit uit­geoefend kan worden;
  • het ontwerp van een vennootschapsakte indien de activiteit binnen een vennootschap uitgeoefend wordt;
  • een overnamecontract indien men een bestaande zaak wenst over te nemen.
Ook wanneer de beroepskaart in het buiten­land aangevraagd wordt, moeten op het moment van de aflevering ervan de naam en het adres van een erkend ondernemings­loket opgegeven worden voor de aflevering van de beroepskaart.

c. Voorwaarden

  • Een recht op verblijf, m.a.w. een verblijfsvergunning. Als men niet over een verblijfsvergunning in België beschikt, moet men deze aanvragen bij de diplomatieke of consulaire post op hetzelfde ogenblik als de aanvraag van de beroepskaart.
  • Het naleven van de reglementaire verplich­tingen, verbonden aan de uit te oefenen activiteit. De gewestelijke dienst Economische migratie gaat na of men (en de eventueel op te richten vennootschap) beschikt over de vereiste toegangsvoorwaarden voor de geplande activiteit of het beroep en die eigen zijn aan het te verkrijgen statuut. Bij een hernieuwingsaanvraag wordt er bovendien gecontroleerd of de belastingen en sociale bijdragen correct betaald werden.
  • De economische meerwaarde van het project voor Vlaanderen. Men zal o.a. kijken naar het beantwoorden aan een economische behoefte, het scheppen van werkgelegenheid, nuttige investeringen, de economische weerslag op de onder­nemingen in België, het bevorderen van de export, een vernieuwende of gespecialiseerde activiteit, enz. Ook het sociale, culturele, artistieke of sportieve nut van de geplande activiteit kan in aanmerking genomen worden. De aanvrager moet zelf alle nodige ­informatie hiervoor verzamelen om het nut van het project aan te tonen.

d. Procedure

De diplomatieke of consulaire post of het ondernemingsloket die de aanvraag ontvangt, maakt die binnen de vijf dagen na ontvangst over aan de bevoegde geweste­lijke dienst Economische migratie. Deze gaat na of de aanvraag geldig ingediend werd conform de regelgeving. Indien dit niet het geval is, wordt de aanvraag het voorwerp van een beslissing van niet-ontvankelijkheid die betekend wordt via de diplomatieke of consulaire post of het ondernemingsloket die de aanvraag ontvangen heeft.
Indien de regels gerespecteerd werden, gaat de gewestelijke dienst Economische ­migratie over tot het onderzoek van de aanvraag. De dienst Economische migratie controleert alle inhoudelijke informatie die nodig is om dit criterium te onderzoeken: een gedetailleerde omschrijving van het project, de bekwaamheid en ervaring van de aanvrager, financiële mogelijkheden, marktonderzoek, financiële analyse, contacten met handelspartners, ontwerp van contracten, statuten van de vennootschap of ontwerp van statuten, ...
Indien de aanvraag aan de vereiste ­criteria voldoet, levert de gewestelijke dienst Economische migratie de beroepskaart af. Deze wordt origineel overgemaakt via een ondernemingsloket aan de aanvragende buiten­lander. Indien dit niet het geval is, betekent de gewestelijke dienst Economische migratie een gemotiveerde weigering en brengt de be­­slissing over via de diplomatieke post of via een onder­nemingsloket.
Na een weigering van beroepskaart mag men pas na een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van het indienen van de vorige aanvraag, een nieuwe aanvraag indienen.
Indien de beroepskaart geweigerd wordt, kan men een beroep indienen bij de ­gewestelijk bevoegde minister van Werk via de bovenstaande contactgegevens, t.a.v. griffier REOV (Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen).
Men moet dit beroep indienen binnen een termijn van 30 dagen, die aanvangt vanaf de dag die volgt op de datum van de notificatie van de beslissing, zijnde de dag die volgt op de datum van de kennisname van de beslissing.
De minister wendt zich onverwijld tot de Raad voor economisch onderzoek inzake vreemde­lingen en vraagt diens advies. De Raad moet advies uitbrengen binnen de vier maanden. De Raad deelt zijn advies gelijktijdig mee aan de aanvrager van de beroepskaart en aan de minister. Bij gebrek aan een advies binnen de vooropgestelde termijn beslist de minister alleen.
De minister beschikt over twee maanden, vanaf de ontvangst van het advies van de Raad of het verstrijken van vier maanden, indien er geen advies gegeven werd tijdens deze termijn, om een beslissing te nemen. Indien de minister binnen de twee maanden geen beslissing neemt, geldt het advies van de Raad als beslissing. Bij gebrek aan advies van de Raad en een beslissing van de minister binnen de vooropgestelde ter­mijnen wordt het beroep verworpen. De beslissing wordt onmiddellijk betekend.
Men kan tegen deze beslissing een verzoek tot verbreking indienen bij de Raad van State binnen de 60 dagen die volgen op de dag volgend op de datum waarop men er kennis van ge­­nomen heeft.

e. Kostprijs

De kostprijs voor de aanvraag, wijziging, hernieuwing of vervanging van de eerste beroepskaart is vastgesteld op € 140. De aflevering of de hernieuwing ervan gebeurt door het ondernemingsloket, dat een overheidsrecht moet aanrekenen van € 90 per jaar van ­geldigheid van de beroepskaart.
Deze rechten moeten betaald worden bij de aanvraag, naargelang van het geval via de ­diplomatieke of consulaire post, of het ondernemingsloket. Bij aflevering van een ge­­wijzigde of ver­­vangen kaart, moet er niet opnieuw be­­taald worden.

f. Aflevering

Wanneer de kaart afgeleverd kan ­worden, verwittigt de gewestelijke dienst Econo­mische migratie de aanvrager zodat de beroepskaart bij het vooraf aangeduide ondernemings­loket afgehaald kan worden. Op het moment van de aflevering door het ondernemings­loket moet de identiteit van de aan­vrager gecontroleerd worden door het onder­nemings­loket.

g. Geldigheidsduur

Een beroepskaart is maximaal vijf jaar geldig. Algemeen wordt er een eerste kaart voor een proefperiode van twee jaar verleend. Na vijf jaar kan er wel een her­nieuwing aan­gevraagd worden.
Een beroepskaart voor één jaar wordt afgeleverd aan studenten die bijkomend bij hun studies een zelfstandige activiteit wensen uit te oefenen (men vraagt hier een inschrijvingsbewijs van het opleidingsinstituut, de hogeschool of de universiteit, ... dat telkens loopt over één jaar).
Een beroepskaart voor drie jaar wordt soms toegekend in het kader van een hernieuwing indien de aanvrager zijn zelfstandige activiteit goed aangevat heeft en deze gunstig lijkt te evolueren. De kans dat het alsnog misloopt, wordt in dit geval heel miniem ingeschat.
Een beroepskaart voor vier jaar wordt nagenoeg nooit toegekend tenzij bijvoorbeeld in het kader van een aanvraag waarbij men in eerste instantie de economische meerwaarde ­zodanig hoog inschat dat men de beroepskaart voor vijf jaar zou toekennen, maar de be­trokkene slechts een mandaat voor vier jaar gekregen heeft.
Een beroepskaart voor vijf jaar wordt enkel toegekend in het kader van een onbetwistbare economische meerwaarde voor België, onder meer aangetoond door een zeer hoog kapitaal, zeer hoge omzetcijfers, bijkomende tewerkstelling, ...
De intrekking van de verblijfsvergunning maakt van rechtswege ook een einde aan de ­geldigheid van de beroepskaart.

h. Vernieuwingen

De vreemdeling die zijn beroepskaart wil hernieuwen moet bij zijn aanvraag een bewijs ­voegen waaruit blijkt dat hij aan zijn sociale en fiscale verplichtingen voldaan heeft. Alle bewijzen die bij de aanvraag tot hernieuwing of verlenging horen, moeten in tweevoud geleverd worden. Eveneens moet de vreemdeling nog steeds over een geldige verblijfsvergunning beschikken.
De aanvraag tot verlenging of tot her­nieuwing moet gebeuren (minstens) drie maanden voor het verstrijken van de geldig­heids­duur via het gekozen ondernemings­loket.
De kaart wordt afgeleverd voor één of meerdere specifieke activiteiten, vermeld op de machtiging. Elke wijziging of toevoeging van een activiteit vereist bij­gevolg het vooraf­gaand verkrijgen van een ­nieuwe machtiging. Zo ook vereist elke ­wijziging van één van de gegevens ­vermeld op de machtiging, een vernieuwing ervan. Hetzelfde geldt wanneer men zijn beroepskaart verliest of deze vernietigd is. In het voorkomende geval moet de aanvraag vergezeld zijn van een verklaring op eer van verlies of ver­nietiging.
Indien de hernieuwing van uw beroepskaart geweigerd wordt, mag u tijdens de volledige beroepsprocedure van 30 dagen niet meer als zelfstandige werken.

i. Weigering

Indien de beroepskaart geweigerd wordt, kan men pas na twee jaar een nieuwe kaart aanvragen voor dezelfde activiteit. De termijn begint te lopen vanaf de datum van de vorige aanvraag.
Op dit verbod bestaan er evenwel uitzonderingen:
  • indien de weigering het gevolg is van een beslissing van niet-ontvankelijkheid;
  • indien men nieuwe elementen kan ­aanbrengen;
  • indien de aanvraag een nieuwe activiteit betreft.

j. Vrijstellingen

De volgende vreemdelingen zijn, be­hou­dens bepaalde uitzonderingen, vrijgesteld van de verplichting een beroepskaart te bezitten:
  • de onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte (lidstaten van de Europese Unie, Zwitserland, IJsland, Liechtenstein en Noorwegen), evenals hun echt­ge­no(o)t(e), hun bloedverwanten (kinderen en ouders die ten laste zijn) of die van hun echt­geno(o)t(e), evenals de echtgeno(o)t(e) van deze personen, mits zij zich met hen vestigen;
  • de echtgeno(o)t(e) of wettelijk samenwonende partner van een Belg, hun bloedverwanten (kinderen en ouders die ten laste zijn) en hun echtgeno(o)t(e), mits zij zich met hem vestigen;
  • de vreemdelingen die legaal verblijven in een andere EU-lidstaat en er dienstverrichter zijn en die in België een dienst willen komen verrichten. In geval van vestiging als zelfstandige in België geldt deze vrijstelling niet;
  • de erkende vluchtelingen;
  • de vreemdelingen die hun ­echtgeno(o)t(e) bijstaan of vervangen bij de uit­voering van een zelfstandige activiteit;
  • de vreemdelingen die in België een zakenreis ondernemen of conferenties geven en dat voor een periode van maximaal drie opeenvolgende maanden;
  • de vreemdelingen die geen hoofdverblijfplaats hebben in België en hier conferenties geven, voor zover de duur van het verblijf, nodig voor hun prestaties, geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
  • de buitenlandse journalisten, de sportlui, de artiesten en eventueel hun zelf­standige begeleiders die geen hoofdverblijfplaats hebben in België en hier prestaties verrichten in het kader van hun beroep en dat voor een maximum van drie opeenvolgende maanden;
  • de buitenlandse studenten die in het kader van hun studie stage lopen en dat voor de duur van hun stage;
  • de vreemdelingen die in België een stage lopen die kadert in een goedgekeurd ­programma van ontwikkelingssamenwerking of een uitwisselingsprogramma gebaseerd op wederkerigheid en dat voor de duur van het programma;
  • de vreemdelingen die houder zijn van een geldige IKV (identiteitskaart voor vreemdelingen), of van een geldige BIVR (bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister) voor onbeperkte duur;
  • de vreemdelingen ingeschreven op het tableau van de Orde van advocaten of op de lijst van stagiairs.

k. Onderbreking of stopzetting

Bij de onderbreking van de werkzaam­heden of bij de stopzetting ervan moet de ­vreemde ondernemer zich aan­melden bij zijn onder­nemingsloket voor de stop­zettings­activiteiten en de teruggave van de beroepskaart.
De vergunninghouder moet op het moment van de inlevering de reden van onder­breking of stopzetting meedelen aan het onder­nemingsloket.

5. Beschikken over de burgerrechten

Om te starten moet u uw burgerrechten bezitten. Bovendien kunnen personen die veroordeeld werden tot een criminele straf geen handel meer drijven voor de duur van de straf.

6. Opstellen ondernemingsplan

Hoewel het opstellen van een onder­nemingsplan strikt genomen niet wettelijk vereist is, is het toch een goede oefening om een beter inzicht te krijgen in de eigen capaciteiten en de kans op slagen van een eigen zaak. Wie bij de bank een financiering vraagt zal steeds een ondernemingsplan moeten voorleggen.
Er bestaan talrijke modelplannen die de startende ondernemer kan gebruiken bij het op­stellen van een ondernemingsplan, maar doorgaans voorzien ze allen de volgende items die de toekomstige zelfstandigen vooraf even aan het denken zetten:
  • een kort cv (wat zijn de voor­naamste kwaliteiten en kenmerken van de kandi­daat-ondernemer, welke tijd er kan besteed worden aan de eigen zaak, ...) en een beschrijving van de voorgenomen activiteiten;
  • de gewenste rechtsvorm (vennootschap of eenmanszaak) met omschrijving van de ­redenen;
  • de beoogde doelgroep;
  • in welke behoefte het product of de dienst voorziet, op welke trends men hiermee inspeelt (hiervoor moeten de kansen en de bedreigingen in kaart gebracht ­worden);
  • waarin men zich onderscheidt t.o.v. concur­renten (hiervoor moeten de sterke en de zwakke punten opgesomd ­worden);
  • een marketingvisie. Wat is de prijs van het aangeboden product of dienst? Hoe zorgen voor promotie? Waar vindt de ­verkoop plaats en hoe gebeurt de ­distributie?;
  • het financieel plan. Wat kosten de be­­oogde activiteiten en wat leveren ze op? In het financieel plan maakt men een schatting van alle inkoop- en productiekosten en van de omzet die daartegenover staat, het liefst over een periode van drie tot vijf jaar. Hoe zit het met de liquiditeits­planning? Wanneer komt er geld binnen en wanneer gaat er geld uit? Welke zijn de vaste kosten (sociale bij­dragen, huur, verzekeringen, auto...)?
Eens dit alles in kaart is gebracht, kan men bepalen of de eigen financiële ­middelen ­volstaan of dat er noodzaak is om een ­andere bron van financiering aan te spreken.
Indien u een vennootschap zoals een BV, een NV of CV wilt oprichten, moet u een ­financieel plan opstellen voor de eerste twee jaar van de onder­neming en het over­maken aan de notaris bij het op­­stellen van de oprichtings­akte. Sedert de invoering van het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) is wettelijk bepaald hoe de inhoud van dit financieel plan er moet uitzien.
Bij faillisse­ment binnen de eerste drie jaar na de op­­richting zal de rechter dat finan­cieel plan op­­vragen bij de notaris.
Als dan ­blijkt dat kennelijk onvol­doende werkingsmiddelen (kapitaal plus even­tuele ­leningen in de NV of aanvangsvermogen in de BV en CV) voorzien werden voor de ­eerste twee jaar van de activi­teit, kan de op­richter hoofde­lijk verantwoordelijk ge­­steld ­worden voor (het geheel of een ge­deelte van) de ­schulden van de vennootschap. De beperkte aansprakelijkheid wordt dan opgeheven.
De BV, zijnde de nieuwe BVBA, heeft geen kapitaal meer, hetgeen niet wegneemt dat een financieel plan nog altijd verplicht is. Het WVV legt zelfs de minimuminhoud van dit financieel plan vast.
Het financieel plan is niet ver­eist voor een VOF (vennootschap onder firma) en voor een commanditaire vennootschap. Dit is ook zo gebleven onder het nieuwe WVV.